1F Vluchtelingenverdrag

1F-VLUCHTELINGENVERDRAG

Sommige asielzoekers komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning omdat zij zijn uitgesloten van bescherming. In artikel 1F Vluchtelingenverdrag is een belangrijke uitsluitingsgrond opgenomen:

Als er ernstige vermoedens bestaan dat een asielzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid dan wordt hij beschouwd als een gevaar voor de openbare orde. De asielzoeker kan dan geen verblijfsvergunning krijgen (geen asielvergunning maar ook geen reguliere vergunning). De gezinsleden van de asielzoeker kunnen óók geen verblijfsvergunning krijgen.

Het idee achter artikel 1F Vluchtelingenverdrag is dat deze mensen geen bescherming verdienen omdat wat zij hebben gedaan ‘te erg’ is. De familieleden krijgen ook geen verblijfsvergunning omdat de asielzoeker anders feitelijk toch bij hen in Nederland zou kunnen blijven. Nederland wil geen vluchthaven zijn voor oorlogsmisdadigers.

1F status

Asielzoekers die worden uitgesloten van bescherming op basis van artikel 1F Vluchtelingenverdrag krijgen een 1F-status. Zij mogen niet in Nederland verblijven en moeten terugkeren naar hun land van herkomst.

Soms kan de asielzoeker met een 1F-status niet terugkeren naar zijn land van herkomst. Als vaststaat dat de asielzoeker in zijn land van herkomst een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, mag Nederland de asielzoeker niet gedwongen terug laten keren. Dan ontstaat dus de situatie dat de asielzoeker grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag niet in Nederland mag blijven, maar ook niet terug kan worden gestuurd naar zijn land van herkomst. De asielzoeker kan wel vrijwillig terugkeren, maar zal dit meestal niet doen vanwege het gevaar dat hij loopt in zijn land van herkomst.

De situatie van asielzoekers met een 1F-status die niet kunnen terugkeren naar hun land van herkomst is zeer onwenselijk. Om te mogen werken in Nederland of in aanmerking te komen voor uitkeringen moet je een verblijfsvergunning hebben. Het onderzoek door de Immigratie- en Naturalisatiedienst in het kader van artikel 1F Vluchtelingenverdrag moet dan ook uiterst zorgvuldig plaatsvinden.

1F procedure

De asielzoeker wordt gehoord in het kader van een speciale 1F-procedure. De Immigratie en Naturalisatie Dienst (IND) nodigt de asielzoeker uit voor een 1F-gehoor. Het is voor de asielzoeker aan te raden om zich bij het 1F-gehoor bij te laten staan door een advocaat. Tijdens het 1F-gehoor wordt de asielzoeker ondervraagd over de verdenkingen die tegen hem bestaan.

De IND moet bewijzen dat artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing is.

Voornemen afwijzing op 1F Vluchtelingenverdrag

Als de IND naar aanleiding van het 1F-gehoor van mening is dat de asielvergunning op basis van artikel 1F Vluchtelingenverdrag moet worden afgewezen dan ontvangt de asielzoeker een voornemen. Tegen dit voornemen tot afwijzing op grond van 1F Vluchtelingenverdrag kan de advocaat namens de asielzoeker een zienswijze indienen. In de zienswijze probeert de advocaat de IND te overtuigen van het standpunt van de asielzoeker.

Asielvergunning afgewezen op basis van artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Tegen de afwijzing van een asielvergunning op basis van artikel 1F Vluchtelingenverdrag kan een beroepschrift worden ingediend bij de rechtbank.

Beroep tegen afwijzing op basis van artikel 1F Vluchtelingenverdrag ongegrond

Als het beroepschrift van de asielzoeker tegen de afwijzing van de asielaanvraag op artikel 1F Vluchtelingenverdrag door de rechtbank ongegrond wordt verklaard, kan daartegen een hoger beroepschrift worden ingediend bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Rebergen Advocatenkantoor kan de asielzoeker bijstaan in de 1F-procedure en namens hem een (hoger)beroepschrift indienen tegen de afwijzing van de asielaanvraag op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag.